gelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelijk -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gelijk o

  1. juistheid, recht
    • Hij heeft gelijk, het is mijn schuld. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • gelijk hebben
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gelijk gelijker gelijkst
verbogen gelijke gelijkere gelijkste
partitief gelijks gelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

gelijk

  1. met elkaar overeenstemmend
    • Gelijke monniken, gelijke kappen. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

gelijk

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Uitdrukkingen en gezegden
  • gelijk zijn aan
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gelijken

gelijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelijken
    • Ik gelijk. 
  2. gebiedende wijs van gelijken
    • Gelijk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelijken
    • Gelijk je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie