been

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[1] Been

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • been
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onderste lichaamsdeel’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • van Middelnederlands been[2]
1 enkelvoud meervoud
naamwoord been benen
verkleinwoord beentje beentjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord been beenderen
verkleinwoord beentje beentjes

Zelfstandig naamwoord

been o

  1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    • Een mens heeft twee benen terwijl een hond vier poten heeft. 
     Na het nemen van de afslag ziet de weg naar boven er nog even mild uit, maar dan begint het asfalt al snel te welven. Er is minder dan een handvol haarspeldbochten, maar de hellingsgraden slopen de eerste reserves uit de benen.[3]
  2. bot, zelfstandig onderdeel van een geraamte
    • Een volwassen mens heeft ongeveer 200 beenderen. 
  3. (anatomie) stof waaruit benen/botten bestaan
    • Been is hard door het kalk wat erin zit. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
benen

been

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
    • Ik been. 
  2. gebiedende wijs van benen
    • Been! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
    • Been je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Middelnederlands

Zelfstandig naamwoord

been

  1. been; ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
  2. bot, been; zelfstandig onderdeel van een geraamte


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

been

  1. (anatomie) been
Schrijfwijzen