been

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Been

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • been
1 enkelvoud meervoud
naamwoord been benen
verkleinwoord beentje beentjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord been beenderen
verkleinwoord beentje beentjes

Zelfstandig naamwoord

been o

  1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    • Een mens heeft twee benen terwijl een hond vier poten heeft. 
  2. bot, zelfstandig onderdeel van een geraamte
    • Een volwassen mens heeft ongeveer 200 beenderen. 
  3. (anatomie) stof waaruit benen/botten bestaan
    • Been is hard door het kalk wat erin zit. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
benen

been

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
    • Ik been. 
  2. gebiedende wijs van benen
    • Been! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
    • Been je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie