been

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Been

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • been
1 enkelvoud meervoud
naamwoord been benen
verkleinwoord beentje beentjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord been beenderen
verkleinwoord (botje) (botjes)

Zelfstandig naamwoord

been o

  1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
  2. bot, zelfstandig onderdeel van een geraamte
  3. (anatomie) stof waaruit benen/botten bestaan
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Dat is een blok aan mijn been.

  • Dat maakt het me lastig.

De benen nemen.

  • Gauw weglopen, vluchten.

Het zijn sterke benen die weelde kunnen dragen.

  • In tijden van weelde gaat men zich gemakkelijk te buiten.

Iemand op de been houden.

  • Iemand (figuurlijk - financieel, etc.) ondersteunen.

Iemand op het verkeerde been zetten.

  • Iemand bewust misleiden.

Met beide benen op de grond staan.

  • Realistisch zijn.

Met een been in het graf staan.

  • Afgeleefd zijn, op sterven na dood zijn.

Met het verkeerde been uit bed gestapt zijn.

  • Een slecht humeur hebben.

(Nog) goed ter been zijn.

  • (Nog) kwiek zijn.

Op één been kun je niet staan.'

  • Schertsend gezegde wanneer iemand een tweede glas (meestal alcoholhoudende drank) wordt aangeboden.

Zich de benen uit het lijf lopen.

  • Ergens heel erg veel moeite voor doen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
benen

been

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
    Ik been.
  2. gebiedende wijs van benen
    Been!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
    Been je?

Meer informatie