samenzijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·zijn
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord samenzijn
verkleinwoord samenzijntje samenzijntjes

Zelfstandig naamwoord

samenzijn o

  1. het met meerdere mensen bij elkaar zijn
    • Het gezellig samenzijn met je geliefde is toch het leukste wat er is. 
    • Mijn laatste afscheidstoespraak had ik gehouden voor een bejaardenkoortje. `U allen moet blijven. Ik moet nu gaan.' Er werd geweend om mijn vertrek. Hoe vaak had ik niet ergens opnieuw moeten beginnen, om uiteindelijk de meest ontroerende momenten van samenzijn te ervaren op het moment dat ik had besloten te vertrekken? [1] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 178