groep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groep
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verzameling’ voor het eerst aangetroffen in 1618 [1]
  • [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord groep groepen
verkleinwoord groepje groepjes

Zelfstandig naamwoord

groep v [5] [6]

  1. uit meerdere personen, dieren of eenheden bestaand geheel
    • Een groep Japanse toeristen stond volop foto's te nemen. 
  2. (elektrotechniek) deel van een installatie dat afzonderlijk is beveiligd
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
groepen

groep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groepen
    • Ik groep. 
  2. gebiedende wijs van groepen
    • Groep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groepen
    • Groep je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen