groep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groep
enkelvoud meervoud
naamwoord groep groepen
verkleinwoord groepje groepjes

Zelfstandig naamwoord

groep v

  1. uit meerdere personen, dieren of eenheden bestaand geheel
    • Een groep Japanse toeristen stond volop foto's te nemen. 
  2. (elektrotechniek) deel van een installatie dat afzonderlijk is beveiligd
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
groepen

groep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groepen
    • Ik groep. 
  2. gebiedende wijs van groepen
    • Groep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groepen
    • Groep je?