sitt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

IJslands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig mannelijk vrouwelijk onzijdig
nominatief sinn sín sitt sínir sínar sín
genitief síns sinnar síns sinna sinna sinna
datief sínum sinni sínu sínum sínum sínum
accusatief sinn sína sitt sína sínar sín

Bezittelijk voornaamwoord

sitt

  1. zijn (nominatief onzijdig enkelvoud)
  2. zijn (accusatief onzijdig enkelvoud)


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • sitt
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse voornaamwoord sitt.

Bezittelijk voornaamwoord

sitt o (2. persoon, onzijdige vorm, enkelvoud)

  1. zijn
    «En by får sitt kulturhus.»
    Een stad krijgt zijn cultuurhuis.
Verbuiging


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • sitt
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse voornaamwoord sitt.

Bezittelijk voornaamwoord

sitt, o (2. persoon, onzijdige vorm, enkelvoud)

  1. zijn
Verbuiging
  • sin, m (2. persoon, mannelijke vorm, enkelvoud)
  • si, v (2. persoon, vrouwelijke vorm, enkelvoud)
  • sitt, o (2. persoon, onzijdige vorm, enkelvoud)
  • sine, mv

Werkwoord

sitt

  1. gebiedende wijs van sitte

Werkwoord

sitt
  1. verouderde spelling of vorm van sit van vóór 2012
(verouderd) tegenwoordige tijd van sitta en sitte