avoir

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudfranse woord aveir.
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
avoir
/ɑvwaʁ/
avais
/ɑvɛ/
eu
/y/
volledig

Werkwoord

avoir

  1. overgankelijk hebben
    «J'ai un chien.»
    Ik heb een hond.
  2. hulpwerkwoord zijn, hebben
    «J'ai été surpris.»
    Ik was verrast.
    «J'ai couru.»
    Ik heb gelopen.
  3. overgankelijk zijn (leeftijd)
    «Mon frère a treize ans.»
    Mijn broer is dertien jaar oud.
  4. overgankelijk (spreektaal) (iemand) te grazen nemen [1]
  5. overgankelijk (spreektaal) (iemand) nemen, pakken
    «Après la fête, il l'a eue
    Na het feest heeft hij haar gepakt. [1]

Verwijzingen