sin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
sin sins

Zelfstandig naamwoord

sin

  1. zonde
vervoeging
onbepaalde wijs to sin
he/she/it sins
verleden tijd sinned
voltooid
deelwoord
sinned
onvoltooid
deelwoord
sinning
gebiedende wijs sin

Werkwoord

sin

  1. zondigen


Kabylisch

Telwoord (kab)
0
1 11 10
2 12
3 13
4 14
5 15
6 16
7 17
8 18 80
9 19

Hoofdtelwoord

sin

  1. twee


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • sin
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse voornaamwoord sinn.
Naar frequentie 192

Bezittelijk voornaamwoord

sin m (3. persoon, mannelijke vorm, enkelvoud)

  1. zijn
    «Han tok paraplyen sin
    Hij nam zijn paraplu.
Verbuiging
Afkorting

sin

  1. (wiskunde), (afkorting) voor sinus


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • sin
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse voornaamwoord sinn.

Bezittelijk voornaamwoord

sin m (3. persoon, mannelijke vorm, enkelvoud)

  1. zijn
    «Han tok hatten sin til kollektbøsse.»
    Hij nam zijn hoed als collectebus.
Verbuiging
Afkorting

sin

  1. (wiskunde), (afkorting) voor sinus


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • sin

Voorzetsel

sin

  1. zonder


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • sin
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse voornaamwoord sinn.
Naar frequentie 181

Bezittelijk voornaamwoord

sin, g

  1. zijn (derde persoon enkelvoud, bijvoeglijk, gemeenschappelijke vorm)

sin, m

  1. zijn (derde mannelijke persoon enkelvoud, bijvoeglijk, gemeenschappelijke vorm)

sin, v

  1. haar (derde vrouwelijke persoon enkelvoud, bijvoeglijk, gemeenschappelijke vorm)

sin, o

  1. zijn (derde onzijdige persoon enkelvoud, bijvoeglijk, gemeenschappelijke vorm)

sin, mv

  1. hun (derde persoon meervoud, bijvoeglijk, gemeenschappelijke vorm)
Verwante begrippen
  • min (eerste persoon enkelvoud)
  • din (tweerde persoon enkelvoud)