Naar inhoud springen

être

Uit WikiWoordenboek
  • Afkomstig van het Latijnse essere.
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
être
/ɛtʁ/
étais
/etɛ/
été
/ete/
derde groep volledig

être

  1. koppelwerkwoord zijn
    «Vous devez être plus clairs.»
    Jullie moeten duidelijker zijn.
  2. hulpwerkwoord zijn; hebben; voor sommige werkwoorden een hulpwerkwoord voor het maken van de passé composé
    «Je suis tombé.»
    Ik ben gevallen.
    «Ils se sont embrassé.»
    Ze hebben (elkaar) gekust.
  3. hulpwerkwoord worden; zijn; hulpwerkwoord om een zin passief te maken
    «Je suis poursuivi par la police.»
    Ik word achtervolgd door de politie.
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  être     l'être     êtres     les êtres  

être m

  1.  wezen zn