wezen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • zn [1]: In de betekenis van ‘schepsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1461 [1]
  • zn [2]: In de betekenis van ‘aard, natuur’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wezen
was
geweest
gewezen*
klasse 5

zwak -t

volledig

Werkwoord

wezen

  1. koppelwerkwoord hulpwerkwoord ergatief alternatieve onbepaalde wijs van zijn.
    • Hij zal gezegend wezen. 
Opmerkingen
  • De vorm gewezen wordt alleen als bijvoeglijk naamwoord gebruikt.
  • De tegenwoordige tijd komt alleen voor in de gebiedende wijs: wees(t).
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
wijzen

wezen

  1. meervoud verleden tijd van wijzen
    • Wij wezen. 
    • Jullie wezen. 
    • Zij wezen. 
enkelvoud meervoud
naamwoord wezen wezens
verkleinwoord wezentje wezentjes

Zelfstandig naamwoord

wezen o

  1. bestaand individu, inzonderlijk een persoon of dier
    • Zij was een wonderbaarlijk wezentje. 
  2. de aard van iets
    • Dat is het wezen van de schilderkunst. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wezen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wees

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen