wezen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wezen
was
geweest
gewezen*
klasse 5 volledig

Werkwoord

wezen

  1. koppelwerkwoord hulpwerkwoord ergatief Alternatieve onbepaalde wijs van zijn. Tegenwoordige tijd alleen in de gebiedende wijs: wees(t). De vorm gewezen wordt alleen als bijvoeglijk naamwoord gebruikt
    • Hij zal gezegend wezen. 
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
wijzen

wezen

  1. meervoud verleden tijd van wijzen
    • Wij wezen. 
    • Jullie wezen. 
    • Zij wezen. 
enkelvoud meervoud
naamwoord wezen wezens
verkleinwoord wezentje wezentjes

Zelfstandig naamwoord

wezen o

  1. bestaand individu, inzonderlijk een persoon of dier
    • Zij was een wonderbaarlijk wezentje. 
  2. de aard van iets
    • Dat is het wezen van de schilderkunst. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wezen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wees

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie