was

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • was

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord was wassen
verkleinwoord wasje wasjes

was m

  1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof zoals deze door bijen afgescheiden wordt om hun raten mee te bouwen
  2. naamwoord van handeling: het wassen, het schoonmaken met een vloeistof
    • De was en de strijk zijn een steeds weerkerende klus. 
  3. het wasgoed:
    • Ik moet de was nog te drogen hangen. 
  4. (aan)groei, stijging (vooral van water)
    • De was van een rivier is moeilijk te stuiten. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Goed in de slappe was zitten
veel geld hebben
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
wassen

was

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wassen
    • Ik was. 
  2. gebiedende wijs van wassen
    • Was! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wassen
    • Was je? 
  4. vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd van ergatieve werkwoorden
    • Was toch naar huis gegaan! 

Werkwoord

vervoeging van
zijn

was

  1. enkelvoud verleden tijd van zijn
    • Ik was. 
    • Jij was. 
    • Hij, zij, het was. 
vervoeging van
wezen

was

  1. enkelvoud verleden tijd van wezen
    • Ik was. 
    • Jij was. 
    • Hij, zij, het was. 


Duits

Uitspraak

Vragend voornaamwoord

was

  1. wat
    «Was ist das?»
    Wat is dat?


Engels

Uitspraak

Werkwoord

was

  1. eerste en derde persoon verleden tijd van to be
    «I was wrong, but so was she.»
    Ik had ongelijk, maar zij had dat ook.