be

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: BeBE, , , ,

Albanees

Zelfstandig naamwoord

be

  1. eed


Engels

Naar frequentie 2
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelengels: been
Angelsaksisch: bēon (zijn, worden)
Germaans: *beuną (zijn, bestaan)
Indo-Europees: *bʰew- (groeien, worden, verschijnen)
  • Verwant in Germaans:
West: Nederlands: ben, Schots: be, Duits/Fries: bin, Oudfries: bim, Jiddisch: בין (bin), Nedersaksisch: bün
vervoeging
onbepaalde wijs to be
he/she/it is
verleden tijd was
voltooid
deelwoord
been
onvoltooid
deelwoord
being
gebiedende wijs be

Werkwoord

be

  1. (tweeletterwoord) (koppelwerkwoord) zijn, wezen
    «The car is fast.»
    De auto is snel.
  2. (hulpwerkwoord) ~ + voltooid deelwoord: vormt de lijdende vorm: worden
    «This is seen as treason.»
    Dit wordt als verraad gezien.
  3. (hulpwerkwoord) (verouderd) ~ + voltooid deelwoord: vormt de voltooide tijd van sommige ergatieve werkwoorden.
    «He is gone.»
    Hij is weggegaan.
  4. (onovergankelijk) zijn, zich bevinden
    «Where can he be
    Waar kan hij zijn?
Andere vormen
persoon tegenwoordig verleden
I am was
thou* art* wast*
he, she, it is was
we are were
you are were
they are were
*De thou vormen zijn verouderd,
you wordt ook voor het enkelvoud gebruikt.
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
Tweeletterwoorden in het Engels

aaabadaeagahaialamanarasatawaxaybabebibobydadedidoedefehelemeneresetexfafigigohahehihmhoidifinisitjokakilalilomamemimmmomumynanenonuodoeofohoiomonoporosowoxoypapepiqireshsisotatitouhumunupusutwewoxixuyayeyoza


Hongaars

Voorzetsel

be

  1. in


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • be
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord biðja
Naar frequentie 368
vervoeging
onbepaalde wijs be
tegenwoordige tijd ber
verleden tijd ba
bad
voltooid
deelwoord
bedt
onvoltooid
deelwoord
beende
lijdende vorm bes
gebiedende wijs be
vervoegingsklasse Klasse 5 sterk
opmerking

Werkwoord

be

  1. (tweeletterwoord), (overgankelijk) bidden, smeken, verzoeken, vragen
    «Hvem har bedt deg om å gjøre det?»
    Wie heeft je gevraagd om dat te doen?
  2. (overgankelijk) inviteren, uitnodigen
    «Vi har tenkt å be åtti gjester til bryllupet.»
    Wij hebben gedacht tachtig gasten voor de bruiloft uit te nodigen.
  3. (overgankelijk), (religie) bidden (praten met God)
    «Det ble bedt for paven i kirkene.»
    In de kerken werd voor de paus gebeden.
Schrijfwijzen
Verwante begrippen
Tweeletterwoorden in het Noors

akamanatavbabeBHbhbobydadedidodueieneretfagagihajajolamininunyogOKokògomrosasesitatitoTVtvutviøløvår


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • be
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord biðja
vervoeging
onbepaalde wijs be
tegenwoordige tijd ber
bed
verleden tijd bad
voltooid
deelwoord
bedd
bedt
onvoltooid
deelwoord
bedande
lijdende vorm bedast
gebiedende wijs be
vervoegingsklasse onregelmatig
opmerking

Werkwoord

be

  1. (tweeletterwoord), (overgankelijk) bidden, smeken, verzoeken, vragen
  2. (overgankelijk) inviteren, uitnodigen
  3. (overgankelijk), (religie) bidden (praten met God)
Schrijfwijzen
Verwante begrippen
Tweeletterwoorden in het Nynorsk

amanatavbebobydadedidodueieneretfagihajajolamininunyogògOKokomoposrosasitatitoTVtvutviøløvåhår