vissen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van vis met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vissen
viste
gevist
zwak -t volledig

Werkwoord

vissen

  1. inergatief vis proberen te vangen
  2. iets proberen te weten te komen, proberen iemand iets te laten zeggen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Achter het net vissen.
    Te laat zijn met iets.
  • Ieder vist op zijn getij.
    Iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik.
  • In troebel water is het goed vissen.
    In tijden van onlust of oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen.
  • In troebel water vissen
    van onenigheid profiteren
  • naar iets vissen
    iets proberen uit te vinden
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

vissen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vis
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie