viswater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord viswater viswaters
verkleinwoord viswatertje viswatertjes

Zelfstandig naamwoord

viswater o

  1. water waarin men vist of waar zich vis ophoudt.

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.