viswater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord viswater viswaters
viswateren
verkleinwoord viswatertje viswatertjes

Zelfstandig naamwoord

viswater o

  1. water waarin men vist of waar zich vis ophoudt.

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be