visloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van vis met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen visloos vislozer visloost
verbogen visloze vislozere vislooste
partitief visloos vislozers -

Bijvoeglijk naamwoord

visloos

  1. zonder vis
    • Door de vervuiling waren er vooral in de jaren 1970 veel visloze meren. 

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.