visgerei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

visgerei
Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·ge·rei
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord visgerei
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

visgerei o [1]

  1. zaken die men nodig heeft om te kunnen vissen
    • Actievoorzitter Farah Karimi zegt desondanks „enorm trots” te zijn op de resultaten. Zo kregen bijna een half miljoen mensen voedselhulp, werden honderdduizenden kinderen op ondervoeding onderzocht en ontvingen meer dan honderdduizend mensen zaden, landbouwgereedschap op visgerei, zodat ze weer in hun levensonderhoud kunnen voorzien.[2] 
    • Soren Knabe van de sportvisbond roept in gesprek met het lokale TV2/Fyn 'alle sportvissers'op hun visgerei te pakken en te gaan vissen op de forellen.[3] 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen