visserij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·se·rij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord visserij visserijen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

visserij v

  1. het vangen van vis of andere organismen (weekdieren, schaaldieren, schelpdieren, zoogdieren, algen, zeewier) uit het water, al of niet als broodwinning
    • In de visserij wordt al geëxperimenteerd met het gebruik van pingers.[1] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bruinvis weet Hollandse Noordzee weer te vinden, Trouw, 16 juli 2013
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be