visstick

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Een visstick op een groot bord...
Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·stick
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord visstick vissticks
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

visstick m

  1. (voeding) rechthoekig staafje gefileerde, gepaneerde vis in (1,5 x 3 x 9 cm) geschikt om te bakken of te frituren
    • Want Nederlanders eten überhaupt erg weinig vis en schaal- en schelpdieren. Wat we wél eten is zalm, bliktonijn, pangasius en vissticks, schreven onderzoekers van de Universiteit Wageningen in 2014 een artikel over visconsumptie. [1]
    • De aanwezigen werden tenslotte nog getrakteerd op een nieuw produkt, n.l. de visstick. [2]
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen