visvijver

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·vij·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord visvijver visvijvers
verkleinwoord visvijvertje visvijvertjes

Zelfstandig naamwoord

visvijver m

  1. stilstaand water aangelegd om vissen in te houden
    1. stilstaand water met siervissen
    2. (landbouw) stilstaand water met vissen voor consumptie
    3. (sport) stilstaand water voor hengelsport
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen