visseizoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·sei·zoen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord visseizoen visseizoenen
verkleinwoord visseizoentje visseizoentjes

Zelfstandig naamwoord

visseizoen o

  1. een seizoen waarin het toegestaan is om te vissen
    • Vandaag is het visseizoen officieel geopend! 
Vertalingen

Gangbaarheid