vistuig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

vistuig
Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·tuig
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vistuig vistuigen
verkleinwoord vistuigje vistuigjes

Zelfstandig naamwoord

vistuig o [1]

  1. werktuigen die men gebruikt bij het vissen zoals bijvoorbeeld netten en hengels
    • Een kotter die met zijn vistuig blijft hangen, kan volgens hem omslaan en zinken. 'We waren al in overleg met vele partijen om de Klaverbank te helpen beschermen.' [2] 
    • Hij dreef elf dagen lang rond zonder voedsel aan boord. De drie mannen hadden wel wat te eten: zij vingen vissen met het vistuig dat ze op de boot hadden liggen. [3] 
    • De feiten zijn dat Brussel toestemming gaf voor een test. Tien procent van de boten zou worden uitgerust met het kostbare elektrische vistuig, de pulswing. Maar de oeverloze lobby van de Nederlandse politiek leidde er toe dat alle platvisboten nu de pulswing gebruiken. Hoewel het een test betreft, investeerden vissers miljoenen. Kenmerk van testen is dat ze stopgezet kunnen worden en daar heeft Nederland in haar grenzeloze eigendunk nooit bij stilgestaan. [4] 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen