vislucht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·lucht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vislucht visluchten
verkleinwoord visluchtje visluchtjes

Zelfstandig naamwoord

vislucht v/m

  1. de geur van vissen
    • De vreselijke vislucht kwam je al van verre tegemoet toen we in de buurt van de vismarkt kwamen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.