vispas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·pas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vispas vispassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vispas m [1]

  1. een vergunning waarmee aangetoond kan worden, dat de houder van de vergunning in een bepaald oppervlaktewater of op een bepaald tijdstip mag gaan vissen
    • Om nachtelijke overlast aan de Enschedese waterkant te voorkomen wordt een nachtvispas ingevoerd. Deze geldt alleen naast de reguliere vispas, is voor 25 euro te koop bij hengelsportvereniging Vios en is vanaf volgende week zaterdag verplicht. [2] 
    • „Ik beschik namelijk al vijf jaar over een vispas”, zegt hij. „Maar toen ik zaterdag bij Het Rutbeek werd gecontroleerd, bleek dat mijn pas dit jaar niet was verlengd.” De hengelsporter, die vaak op karpers vist bij de Enschedese recreatieplas, kwam weg met een waarschuwing en vroeg diezelfde middag een nieuwe vispas aan bij hengelsportzaak Hennie Kruidenier. „Daar werd ik vervolgens gefeliciteerd, omdat ik het duizendste lid ben.” [3] 
    • Nachtvissers zorgen in Haaksbergen voor veel overlast binnen de bebouwde kom. Lawaaioverlast en het achterlaten van afval zijn terugkerende problemen. Om de overlast zoveel mogelijk terug te dringen, mag er tussen 1 juni en 31 augustus alleen ’s nachts gevist worden bij de Bergingsvijver aan de Scholtenhagenweg. Daarvoor hebben de vissers naast een gewone vispas wel een speciale nachtvispas nodig. Nachtvissen is vooral geliefd onder de jongeren in het dorp. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen