echt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • echt
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘huwelijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701 [1]
  • In de betekenis van ‘wettig, werkelijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord echt
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

echt m

  1. de huwelijkse staat
    • In de echt verbonden. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen echt echter echtst
verbogen echte echtere echtste
partitief echts echters -

Bijvoeglijk naamwoord

echt

  1. waarachtig, juist, niet vervalst, authentiek
    • Dit zijn echte parels. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Bijwoord

echt

  1. heus (om de stelligheid van een bewering te benadrukken)
    • Hij zingt echt mooi 
  2. dat is echt ....:typisch

Werkwoord

vervoeging van
echten

echt

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van echten
  2. gebiedende wijs van echten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen