eetwaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eet·waar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eetwaar eetwaren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

eetwaar v/m [1]

  1. goederen die men kan eten
    • De jongelui hadden zich toegang weten te verschaffen tot het leegstaande pand en na het nuttigen van meegenomen eetwaar hadden zij er een vuurtje gemaakt. Dit zorgde voor een enorme rookontwikkeling en een getuige trachtte het vuur te blussen.[2] 
    • In de plannen krijgt zustermerk La Place een belangrijke plaats. Het enige succesvolle onderdeel van de V&D familie gaat naast eetwaren, snacks en maaltijden ook producten verkopen. Naast servies met onder meer kookgerei, bestek, glazen, tafellinnen wordt opvallend genoeg ook gedacht aan 'natuurlijke'bad- en verzorgingsproducten.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen