deegwaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

deeg de basis voor deegwaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • deeg·waar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deegwaar deegwaren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

deegwaar v/m [1]

  1. wat is gemaakt van deeg (een mengsel van meel en water)
    • Uit de fabriek in Dordt komt geen koek. Daar wordt toast en beschuit voor het merk Haust gemaakt. Schijfjes deeg schuiven over twee lopende banden, langs de werknemers met netjes op hun hoofd, lichaam en over hun schoenen. Het aangevoerde deeg wordt door machines in plakken gesneden, getoast en verpakt. De weinige werknemers controleren vooral. De werknemer met de drukste baan verwijdert handmatig mislukte toastjes uit de passerende stroom deegwaren.[2] 
    • De zich steeds meer van gezondheidszaken bewust wordende klanten zullen waarschijnlijk van deegwaren en koolzuurhoudende frisdrankjes willen overstappen op kwalitatief betere producten. Maar tot nu toe heeft Tingyi weinig last gehad van de vertraging van de Chinese consumptiegroei.[3]  
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Jochem van Staalduine 28 april 2016
  3. NRC Wei Gu 22 augustus 2012