mer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  mer     la mer     mers     les mers  

Zelfstandig naamwoord

mer v

  1. zee


Luxemburgs

Uitspraak
enkelvoud meervoud
sterk zwak sterk zwak
nominatief ech mir mer
accusatief mech eis / äis
datief mir mer
wederkerend mech


Woordafbreking
  • mer
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse mir, een variant van wir die ontstond door assimilatie met de werkwoordsuitgang -(e)n.

Persoonlijk voornaamwoord

mer

  1. we (nominatief van de eerste persoon enkelvoud)
  2. (aan/voor) me (datief van de eerste persoon enkelvoud)


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • mer
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord meiri
Naar frequentie 124
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud mye mer mest
o enkelvoud mye
meervoud mye
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
mye mer mest

Bijvoeglijk naamwoord

mer, m / v / o / mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm van de vergrotende trap van mye
  2. meer
    «Vil du ha mer kaffe?»
    Wil je meer koffie?
Schrijfwijzen
Synoniemen
Opmerkingen
  1. In het Noors wordt mer meestal gebruikt om de vergrotende trap te vormen.
    «Hun er mer selvstendig enn sin bror.»
    Zij is zelfstandiger dan haar broer.

Bijwoord

mer

  1. vergrotende trap van mye
  2. meer
Uitdrukkingen en gezegden
  • Det er mer enn nok.
Er zijn er meer dan genoeg.
  • mer eller mindre
meer of minder
min of meer
  • mer og mer
meer en meer
  • mer enn
meer dan


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • mer

Onbepaald voornaamwoord

mer

  1. men
    «Wie weess mer as die Grummbiere ready sin?»
    Hoe weet men dat de aardappelen rijp zijn?
Opmerkingen