koopwaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koop·waar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koopwaar koopwaren
verkleinwoord koopwaartje koopwaartjes

Zelfstandig naamwoord

koopwaar m/v

  1. goederen die een koopman wilt verkopen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.