reëel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·eel
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Franse réel of daarvoor van het Latijnse 'rēs' (zaak, ding) met het achtervoegsel -eel [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen reëel reëler reëelst
verbogen reële reëlere reëelste
partitief reëels reëlers -

Bijvoeglijk naamwoord

reëel

  1. met de werkelijkheid overeenstemmend
    • Dat is geen reële voorstelling van zake. 
  2. (wiskunde) tot de verzameling getallen behorend die op de getallenrechte ligt
  3. geneigd zich praktisch op te stellen
    • Hij is een stuk reëler geworden. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen