warenhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ren·huis
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘grootwinkelbedrijf’ voor het eerst aangetroffen in 1906 [1]
  • samenstelling van  waar   en  huis   met het invoegsel -en-
enkelvoud meervoud
naamwoord warenhuis warenhuizen
verkleinwoord warenhuisje warenhuisjes

Zelfstandig naamwoord

warenhuis o

  1. (handel) een grote winkel, vaak met meerdere verdiepingen, die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
    • Een voorbeeld van een warenhuis is de Bijenkorf. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen