overmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overmaken
maakte over
overgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

overmaken

  1. overgankelijk opnieuw maken
    • Die oefening zal overgemaakt moeten worden. 
  2. ditransitief, (financieel) geld laten overschrijven op een andere rekening
    • Het bedrag is gisteren overgemaakt. 
    • Ik heb het bedrag nog niet overgemaakt gekregen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.