opmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opmaken
maakte op
opgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

opmaken

  1. overgankelijk iets verbruiken tot het op is
    • De kinderen maakten al het snoep op voordat moeder thuis zou komen. 
  2. overgankelijk iets concluderen
    • Uit wat de verdachte zei, kon de politie niets opmaken. 
  3. wederkerend make-up aanbrengen
    • De meisjes maken zich voor de spiegel op. 
  4. overgankelijk, (typografie) een tekstdocument opstellen of vormgeven
    • De vormgevers van de krant maken de gekozen artikelen op. 
  5. overgankelijk iets klaarmaken
    • Zijn moeder was zijn bed nog aan het opmaken. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.