opmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ma·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opmaken
maakte op
opgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

opmaken

  1. (overgankelijk) iets verbruiken tot het op is
    De kinderen maakten al het snoep op voordat moeder thuis zou komen.
  2. (overgankelijk) iets concluderen
    Uit wat de verdachte zei, kon de politie niets opmaken.
  3. (wederkerend) make-up aanbrengen
    De meisjes maken zich voor de spiegel op.
  4. (overgankelijk) een tekstdocument opstellen of vormgeven
    De vormgevers van de krant maken de gekozen artikelen op.
  5. (overgankelijk) iets klaarmaken
    Zijn moeder was zijn bed nog aan het opmaken.