schoonmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoon·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schoonmaken
maakte schoon
schoongemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

schoonmaken

  1. overgankelijk reinigen
    • Hij moest voor straf zijn hele kamer schoonmaken. 
    • Veel klanten reageren enthousiast en vinden het een ‘superidee’. Een enkeling stelt nuchter dat veel drankjes ook zonder rietje te drinken zijn. Waarom geen metalen rietjes? vraagt een ander. Die zijn lastig schoon te maken en dat is niet zo hygiënisch, reageert de bakker. [1] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

schoonmaken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schoonmaak

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tubantia Ellen den Hollander 16-07-18 Dit ‘rietje’ kan McDonald's en het milieu redden