schoonmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoon·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schoonmaken
maakte schoon
schoongemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

schoonmaken

  1. (overgankelijk) reinigen
    Hij moest voor straf zijn hele kamer schoonmaken.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie