gereedmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

gereedmaken van de huishoudbeurs
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·reed·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

gereedmaken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gereedmaken
maakte gereed
gereedgemaakt
zwak -t volledig
  1. iets klaarmaken voor gebruik
    • „We waren ons - voordat orkaan Irma kwam - aan het gereedmaken voor het toeristenseizoen dat over een paar maanden zou moeten beginnen”, vertelt Helmie. „Toeristen zullen we het komende jaar niet zien vrees ik. En misschien wel langer niet.”[2] 
    • „Het is in de stad leuk varen en met de thuishaven van de Koninklijke Marine en Rijkswerf Willemsoord in het kielzog is het echt de moeite waard.” Dat beamen Steven (30) en Serina (28) Griek die zich gereedmaken voor een aangenaam tochtje naar het Amstelmeer.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 14 sep. 2017
  3. de Telegraaf WENDY ROEP 05 aug. 2017