afmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afmaken
maakte af
afgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

afmaken

  1. overgankelijk iets tot voltooiing brengen
    • Heb je je werk al afgemaakt? 
  2. overgankelijk doden, euthanasie bedrijven op een dier
    • Ter bestrijding van de epidemie werd op grote schaal het vee afgemaakt. 
  3. iemand zoveel negatieve kritiek geven dat hij het nooit meer zal proberen
    • Een leraar zal altijd proberen positieve kritiek te geven die de leerling zal aanmoedigen om het de volgende keer beter te doen. Een leraar mag nooit zijn leerlingen afmaken want dan zijn ze niet meer gemotiveerd om hun best te doen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.