losmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
losmaken
maakte los
losgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

losmaken

  1. (overgankelijk) ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
    We moeten eerst die knoop losmaken.
  2. (overgankelijk) minder vast laten zijn
    Jullie moeten je echt wat meer losmaken van elkaar.
  3. (overgankelijk) bemachtigen
    Ik heb dit mooie huis voor een koopje bij hem kunnen losmaken.
  4. (overgankelijk) interesses of emoties oproepen
    Dit gaat een hoop bij mij losmaken...
  5. (overgankelijk) zich ontdoen van
    Wie maakt me los?
Vertalingen