fijnmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fijn·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

fijnmaken

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fijnmaken
maakte fijn
fijngemaakt
zwak -t volledig
  1. overgankelijk in heel kleine stukjes maken met wat voor middel dan ook
    • Hij maakte de tabletten fijn met een vijzel. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.