maker

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Van de stam van maken met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord maker makers
verkleinwoord makertje makertjes

Zelfstandig naamwoord

maker m

  1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
    • De maker van deze site. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be