wijsmaken
Uiterlijk
- wijs·ma·ken
- samenstelling van wijs en maken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wijsmaken |
maakte wijs |
wijsgemaakt |
| zwak -t | volledig | |
wijsmaken
- overgankelijk iemand iets ~ in de waan brengen, een onwaarheid doen geloven
- Ze hadden hem wijsgemaakt dat het allemaal per ongeluk gebeurd was.
- Een democratie gaat zelden van de ene op de andere dag ten onder. Ze wordt geleidelijk uitgehold door overgave: rationalisaties en compromissen van machthebbers die zichzelf wijsmaken dat een klein beetje toegeven veiligheid biedt, of dat meebewegen met een ontwrichter praktischer is dan hem te weerstaan.[1]
- In principe is het werkwoord ditransitief, maar meewerkende vormen met krijgen zijn zeldzaam; lijdende vormen zijn vaak onpersoonlijk
- Het werd mij wijsgemaakt, dat ....
- Mij werd wijsgemaakt, dat ....
- Het woord wijsmaken staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "wijsmaken" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ www.nrc.nl (25 sep 2025)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Scheidbaar werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %