wijsmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wijs·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wijsmaken
maakte wijs
wijsgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

wijsmaken

  1. overgankelijk iemand iets ~ in de waan brengen, een onwaarheid doen geloven
    • Ze hadden hem wijsgemaakt dat het allemaal per ongeluk gebeurd was. 
Opmerkingen
  1. In principe is het werkwoord ditransitief, maar meewerkende vormen met krijgen zijn zeldzaam; lijdende vormen zijn vaak onpersoonlijk
    • Het werd mij wijsgemaakt, dat .... 
    • Mij werd wijsgemaakt, dat .... 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.