Naar inhoud springen

wijsmaken

Uit WikiWoordenboek
  • wijs·ma·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wijsmaken
maakte wijs
wijsgemaakt
zwak -t volledig

wijsmaken

  1. overgankelijk iemand iets ~ in de waan brengen, een onwaarheid doen geloven
  1. In principe is het werkwoord ditransitief, maar meewerkende vormen met krijgen zijn zeldzaam; lijdende vormen zijn vaak onpersoonlijk
    • Het werd mij wijsgemaakt, dat .... 
    • Mij werd wijsgemaakt, dat .... 
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]