gelijkmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lijk·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gelijkmaken
maakte gelijk
gelijkgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

gelijkmaken

  1. overgankelijk egaliseren, vlak maken
    • Begin april was men bezig met het storten van de ondergrond en het gelijkmaken ervan. 
  2. inergatief (sport) een achterstand wegwerken
    • In de tweede helft werd er toch nog 'gelijkgemaakt. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • met de grond gelijkmaken
volledig vernietigen
  • Maar ook die stad was er niet meer. Ze was met de grond gelijk gemaakt, er was geen steen van op de andere gelaten. Alles en alles hadden de Steenlanders verwoest en vernield in hun poging de bewoners van de Oude Streek te onderwerpen.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 28