gelijkmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lijk·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gelijkmaken
maakte gelijk
gelijkgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

gelijkmaken

  1. overgankelijk egaliseren, vlak maken
    • Begin april was men bezig met het storten van de ondergrond en het gelijkmaken ervan. 
  2. inergatief (sport) een achterstand wegwerken
    • In de tweede helft werd er toch nog 'gelijkgemaakt. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • met de grond gelijkmaken
volledig vernietigen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.