klaarmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klaar·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klaarmaken
maakte klaar
klaargemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

klaarmaken

  1. overgankelijk voorbereiden
    • Hij was de presentatie aan het klaarmaken. 
     Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje.[1]
  2. overgankelijk uit ingrediënten klaarmaken
    • Zij hadden voor ons een heerlijke maaltijd klaargemaakt. 
  3. overgankelijk (seksualiteit) iemand bevredigen en tot een orgasme brengen
    • Tijdens het minnespel had hij haar oraal klaargemaakt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11