klaarmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klaar·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klaarmaken
maakte klaar
klaargemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

klaarmaken

  1. overgankelijk voorbereiden
    • Hij was de presentatie aan het klaarmaken. 
  2. overgankelijk uit ingrediënten klaarmaken
    • Zij hadden voor ons een heerlijke maaltijd klaargemaakt. 
  3. overgankelijk (seksualiteit) iemand bevredigen en tot een orgasme brengen
    • Tijdens het minnespel had hij haar oraal klaargemaakt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.