uitmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitmaken
maakte uit
uitgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitmaken

  1. overgankelijk een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
    Ze hebben het na drie jaar toch uitgemaakt.
  2. overgankelijk doven (van vuur)
    Ik heb het vuur uitgemaakt met een flinke puts water.
  3. overgankelijk beslissen, verschil maken
    Wie zal uitmaken of het wel waar is.
  4. inergatief deel ~ van: een onderdeel zijn van iets
    Het Nederlandstalige WikiWoordenboek maakt deel uit van een heel stelsel van WikiWoordenboeken.
Synoniemen
  1. beëindigen
  2. doven
  3. beslissen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De dienst uitmaken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.