uitmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitmaken
maakte uit
uitgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitmaken

  1. overgankelijk een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
    • Ze hebben het na drie jaar toch uitgemaakt. 
  2. overgankelijk doven (van vuur)
    • Ik heb het vuur uitgemaakt met een flinke puts water. 
  3. overgankelijk beslissen, verschil maken
    • Wie zal uitmaken of het wel waar is. 
    • Het spel was, zoals zo vaak dit seizoen, niet om aan te zien. Maar wat maakte het uiteindelijk uit. De schaamte van een jaar geleden is uitgewist. Het publiek, dat bijkans gek werd van de spanning, juichte twee keer uitbundig. En dat was bij de 1-0 en 2-0 van Jong PSV. [1] 
  4. inergatief deel ~ van: een onderdeel zijn van iets
    • Het Nederlandstalige WikiWoordenboek maakt deel uit van een heel stelsel van WikiWoordenboeken. 
Synoniemen
  1. beëindigen
  2. doven
  3. beslissen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De dienst uitmaken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia Leon ten Voorde 22-04-19 FC Twente heeft de titel binnen na remise