vrijmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vrijmaken
maakte vrij
vrijgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

vrijmaken

  1. bevrijden, verlossen
    Na een lange strijd hebben de Afrikaanse landen zich vrijgemaakt van hun koloniale overheersers.
  2. emanciperen, ontvoogden
    Vrouwen hebben zich vrijgemaakt van hun onderdrukte positie.
  3. belemmeringen opheffen
    Na het ongeluk is de weg weer vrijgemaakt.
Vertalingen

Meer informatie