vrijmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vrijmaken
maakte vrij
vrijgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

vrijmaken

  1. bevrijden, verlossen
    • Na een lange strijd hebben de Afrikaanse landen zich vrijgemaakt van hun koloniale overheersers. 
  2. emanciperen, ontvoogden
    • Vrouwen hebben zich vrijgemaakt van hun onderdrukte positie. 
  3. belemmeringen opheffen
    • Na het ongeluk is de weg weer vrijgemaakt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie