droogmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • droog·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
droogmaken
maakte droog
drooggemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

droogmaken

  1. afdrogen, drogen
    • Hij heeft de vloer na de overstroming weer drooggemaakt. 
  2. indijken, inpolderen
    • Pas toen er stoommachines kwamen kon men de Haarlemmermeer droogmaken. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen