dichtmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dicht·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dichtmaken
maakte dicht
dichtgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

dichtmaken

  1. een opening afsluiten
    • Ze hebben het gat in de dijk al dichtgemaakt. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.