zwartmaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwart·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwartmaken
maakte zwart
zwartgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

zwartmaken

  1. overgankelijk iemand van laakbare daden beschuldigen
    • De koningin heeft nog nooit iemand zwartgemaakt. 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.