meemaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van maken met het voorvoegsel mee-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meemaken
maakte mee
meegemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

meemaken

  1. (overgankelijk) iets ~: getuige zijn van een gebeurtenis
    Jij hebt de oorlog niet meegemaakt.
Vertalingen