fabriceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·bri·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fabriceren
fabriceerde
gefabriceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

fabriceren

  1. (overgankelijk) een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen [2]
    Ze gingen samen het werkstuk fabriceren.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal