make

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ke
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
maken

make

  1. aanvoegende wijs van maken
    • Tijdens het werk de geest de vrije teugel te laten is even verkeerd als onder de pauze de hersens over arbeidsobjecten te doen doormalen. Men schudde dus in de vrije ogenblikken alles af, make alle banden los. Men ga desverkiezend languit op de canapé liggen, roke pijp, sigaar of sigaret, als men trek heeft, lope wat heen en weer door kamer of gang, of ga voor het open raam staan en make een aantal kniebuigingen en ademoefeningen. Maar men wachte zich, de tijd te vullen met zwaar lichamelijke arbeid, rompbewegingen of andere afmattende sportverrichtingen. [1]

Gangbaarheid

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Naar frequentie 46 (werkwoord)


vervoeging
onbepaalde wijs to make
he/she/it makes
verleden tijd made
voltooid
deelwoord
made
onvoltooid
deelwoord
making
gebiedende wijs make

Werkwoord

make

  1. overgankelijk klaarmaken
  2. overgankelijk maken
  3. overgankelijk vervaardigen
Uitdrukkingen en gezegden
  • to be made out of money
heel rijk zijn
  • to make do
iets doen met gelimiteerde middelen
  • to make time
tijd vrijmaken
  • to make way
uit de weg gaan
  • to make for
gaan naar
  • to make off
haastig vertrekken
  • to make out
vrijen
  • to make up
verzoenen, iets ter plaatse uitvinden


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ke

Zelfstandig naamwoord

make g

  1. echtgenoot m
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   make     maken     makar     makarna  
genitief   makes     makens     makars     makarna  
Antoniemen