hout

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hout
enkelvoud meervoud
naamwoord hout -
verkleinwoord houtje houtjes

Zelfstandig naamwoord

hout

  1. o het materiaal in het binnenste van houtige planten (bomen, struiken, etc)
  2. m bos, park, bijv. Haarlemmerhout, Kralingerhout, Leidse Hout
    We hebben heerlijk in de hout gewandeld.
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /ɦəʊ̯t/

Zelfstandig naamwoord

hout

  1. hout