holt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • holt
Afkorting

holt o

  1. (in België) (historisch) hoger onderwijs van het lange type, vergelijkbaar met de tegenwoordige masteropleiding aan een hogeschool
Schrijfwijzen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout (in streektalen en in oude samenstellingen)

Werkwoord

vervoeging van
hollen

holt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hollen
    • Jij holt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hollen
    • Hij holt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van hollen
    • Holt! 


Achterhoeks

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout


Angelsaksisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Germaanse *hultą

Zelfstandig naamwoord

holt o

  1. hout


Drents

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout
Schrijfwijzen


Middelengels

Woordherkomst en -opbouw
  • Uit het Angelsaksische holt

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. bos, een klein woud; een beboste heuvel, bosschage


Gronings

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen

Meer informatie


Noord-Fries

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout

Meer informatie


Oudnederlands

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Germaanse *hultą

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout
  2. boom
  3. bos, woud


Schots

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. bos, bosschage


Sallands

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout
Schrijfwijzen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • holt
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Duitse halt

Partikel

holt

  1. (spreektaal) nou
Schrijfwijzen
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen

Verwijzingen


Twents

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout
Schrijfwijzen


Veluws

Zelfstandig naamwoord

holt

  1. hout
Schrijfwijzen

Meer informatie